Vertaling van "maak" in Nederlands

maken, doen, bouwen is die topvertalings van "maak" in Nederlands.

maak verb grammatika
+ Voeg

Afrikaans - Nederlands woordeboek

  • maken

    verb

    Studente moet gebruik maak van die boeke in die biblioteek.

    Leerlingen zouden gebruik moeten maken van de boeken in de bibliotheek.

  • doen

    verb

    Wat het jy gister gemaak?

    Wat heb je gisteren gedaan?

  • bouwen

    verb neuter

    Toeristeoorde het regoor die wêreld verrys om vir internasionale sowel as plaaslike reisigers voorsiening te maak.

    Over de hele wereld werden accommodaties gebouwd voor zowel buitenlandse als binnenlandse reizigers.

  • Minder gereelde vertalings

    • uitvoeren
    • construeren
    • bedrijven
    • aanmaken
    • aanleggen
    • installeren
    • uitbrengen
    • fitten
    • uitrichten
    • stellen
    • leggen
    • zetten
    • zitten
    • fabriceren
    • stoppen
    • plaatsen
    • steken
    • poseren
    • situeren
    • stationeren
    • laten
    • vervaardigen
    • werken
    • handelen
    • uitwerken
    • ageren
    • interpreteren
    • denken
    • opereren
    • optreden
    • bezig zijn
    • effect sorteren
    • laten doen
    • te werk gaan
    • uitwerking hebben
    • produceren
    • creëren
  • Vertoon algoritmies gegenereerde vertalings

Outomatiese vertalings van " maak " in Nederlands

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Frases soortgelyk aan "maak" met vertalings in Nederlands

  • Opnamen wissen
  • afleiding · amusement · entertainment · ontspanning · schik · vermaak · verstrooiing · verzet
  • aanvullen · bijwerken · completeren · dempen · invullen · nakomen · naleven · spekken · stoppen · supplementeren · uitvoeren · verrichten · vervullen · voleinden · volmaken · volschenken · voltrekken · vullen
  • sluiten
  • domesticatie
  • aanbrengen · aanpassen · accommoderen · adapteren
  • assureren · behoeden · beloven · beschermen · betuigen · beveiligen · borg staan voor · garanderen · in veiligheid brengen · nakomen · naleven · sponsoren · toezeggen · uitloven · uitvoeren · veilig stellen · verrichten · vervullen · verzeggen · verzekeren · voltrekken · vrijwaren · waarborgen
  • gesticuleren
Voeg

Vertalings van "maak" in Nederlands in konteks, vertaalgeheue