Vertaling van "sit" in Nederlands

zetten, zitten, plaatsen is die topvertalings van "sit" in Nederlands.

sit verb grammatika
+ Voeg

Afrikaans - Nederlands woordeboek

  • zetten

    verb

    Daarom sit hulle kos vir die dooies neer.

    Daarom zetten ze eten voor de doden neer.

  • zitten

    verb

    Meester, ek wil nie hê dat hy langs my sit nie.

    Meester ik wil niet dat ie naast me komt zitten.

  • plaatsen

    verb

    Sit die kaartspel op die eikehouttafel.

    Plaats het spel kaarten op de eiken tafel.

  • Minder gereelde vertalings

    • leggen
    • doen
    • stoppen
    • steken
    • stellen
    • maken
    • installeren
    • aanbrengen
    • uitvoeren
    • aandoen
    • bedrijven
    • bouwen
    • fitten
    • poseren
    • situeren
    • construeren
    • aanmaken
    • stationeren
    • uitrichten
    • opleggen
    • uitbrengen
    • aanleggen
    • opbrengen
    • aantrekken
    • neerzetten
    • benutten
    • inzetten
    • gebruiken
    • voordoen
    • aanzetten
    • indoen
    • inleggen
    • doorvoeren
    • aanwenden
    • toepassen
    • in toepassing brengen
  • Vertoon algoritmies gegenereerde vertalings

Outomatiese vertalings van " sit " in Nederlands

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Frases soortgelyk aan "sit" met vertalings in Nederlands

  • accepteren · indoen · kleden · leggen
  • afdoen · afleggen · afzetten · amputeren · bergen · bewaren · blootstellen · etaleren · opbergen · uitbrengen · uitdoen · uitkrijgen · uitstallen · uittrekken · wegleggen · wegsnijden · wegzetten
  • aanbrengen · aandoen · aankleden · aannemen · aanslaan · aantrekken · aanwenden · aanzetten · accepteren · bekleden · belasten · belasting heffen op · benutten · bepleisteren · doen · doorvoeren · dwingen · forceren · gebruiken · in toepassing brengen · indoen · inleggen · inzetten · kleden · leggen · noodzaken · omkleden · ontvangen · opbrengen · opdringen · opleggen · overtrekken · plaatsen · pleisteren · staan · steken · stellen · stoppen · stukadoren · toepassen · veraccijnzen · verplichten · voordoen · zetten · zich opdringen
  • aanbrengen · aandienen · aandoen · aankondigen · aantrekken · adverteren · annonceren · binnenleiden · doen · inbedden · indoen · inleggen · inleiden · inschuiven · insteken · instoppen · invoeren · inzetten · leggen · opbrengen · opleggen · opvullen · plaatsen · schuiven · steken · stellen · stoppen · vastleggen · vullen · zetten
  • bezitten · erop nahouden · rijk zijn
  • Conversie naar vorm
Voeg

Vertalings van "sit" in Nederlands in konteks, vertaalgeheue